Elk jaar bezoeken we
tijdens de Semana Santa (de heilige week vóór Pasen) meerdere dorpen en steden
in onze omgeving waar we processies bekijken met alles wat zich daaromheen
afspeelt. Dit jaar was Loja aan de beurt. Dit stadje in de provincie Granada
staat bekend om haar ‘corridas de incensarios’, dat vrij vertaald ‘de run van wierookvatdragers’ betekent. Het fenomeen van de wierookmannen doet zich alleen in Loja
voor, nergens anders in Spanje.

Tegen twaalf uur ’s middags kwamen we aan bij de straat waar
volgens het programmaboekje van de Oficina de Turismo van Loja de incensarios
te zien zouden zijn. Er stonden al veel mensen te wachten. Zij hadden zich
vooral in en vóór een paar cafés verzameld en doodden de tijd met bier en
tapas. Hoewel de processie volgens de routeplanning al ter plekke
had moeten zijn, was er nog steeds geen aanzwellend tromgeroffel of
trompetgeschal te horen, het teken dat de stoet niet ver meer kon zijn.

Plotseling zagen we aan het eind van de straat acht mannen
in zwarte tunieken met op hun hoofd een hoge punthoed twee aan twee achter elkaar
in militaire pas onze richting oplopen. Halverwege maakten ze ineens rechtsomkeert
en ze verdwenen weer even snel als ze gekomen waren, ergens een straat inslaand.
Waren ze dat, de incensarios? Maar waar was de processie?

Het duurde niet lang of in de verte werden boven de hoofden
van de mensen de contouren van een troon met een beeld erop zichtbaar. Het was
intussen drukker geworden. De processie kwam in een tergend langzaam tempo
dichterbij, stond regelmatig stil en stopte tot ons geluk ook bijna recht vóór
ons. Het leek alsof er een extra lange pauze was ingelast. Ideaal om plaatjes
te schieten. Hoewel het een beetje ongemakkelijk aanvoelde, ongepast eigenlijk,
om midden tussen de stoet van de Semana Santa te gaan staan om foto’s van de
deelnemers te maken, konden we de verleiding niet weerstaan.

De dragers van de tronen hingen wat verveeld over de houten
stangen van hun draagbaar en hadden duidelijk last van de zon en de te hoge
temperatuur voor de tijd van het jaar. Ze praatten wat met elkaar, of met de
mensen uit het publiek, familieleden of vrienden waarschijnlijk, die even naar
hen toeliepen om goedendag te zeggen. Waarom is het tempo zo laag, vroeg ik aan
iemand naast me. Ze stoppen steeds, zodat de ‘corrida de incensarios’ hun golpes
kunnen doen, was het antwoord.

Een corrida de incensarios is een groepje van acht mannen met
brandende wierookvaten die op vaste punten
in de route van een processie de beelden verheerlijken
die op de tronen worden meegedragen.
Ze brengen daarbij typische oude gezangen (sátiras) ten gehore en voeren
verschillende ceremoniële dansfiguren (golpes) uit. Een golpe is een ingewikkeld
choreografisch patroon van passen, bewegingen en sprongen, waarbij de wierookmannen
tegelijkertijd bepaalde zwaaibewegingen, ofwel ‘slagen’, met hun wierookvat maken.
Dat maakt een klikkend geluid.

De acht mannen in de zwarte tunieken die we al eerder hadden
gezien, kwamen vanuit een zijstraat opnieuw aangemarcheerd. Elke groep heeft
een voorman die de formatie leidt en aanstuurt
met militaire precisie. De wierookdragers gingen in twee rijen van vier aan elke
kant van de straat staan, wachtend tot de processie weer in beweging zou komen.
Dat was opnieuw een mooi moment voor een foto. Toen de voorman van ‘de zwarten’
zag dat ik zijn corrida fotografeerde, leek het alsof hij wel voor de
camera wilde poseren. Hij veranderde zijn houding niet, maar draaide zijn hoofd
naar me toe en keek recht in mijn lens. Snel drukte ik op de knop, een beetje
gegeneerd en mompelde daarna iets van ‘muchas gracias’. Hij gaf geen antwoord,
maar bleef me vriendelijk doch doordringend en tegelijkertijd ondoorgrondelijk
aankijken, zonder een spier op zijn gezicht te vertrekken.

Toen de troon ter hoogte van de wierookmannen was gekomen, stopte
iedereen weer. De incensarios stelden zich op vóór het beeld en voerden hun
ceremoniën uit, een gordijn van wierook vormend.

De tekst van
hun gezangen was moeilijk te verstaan en het geluid van hun stemmen viel vaak
weg in het straatrumoer of werd overstemd door de muziek en de schetterende trompetten
van de fanfares die gewoon doorspeelden. Daar trokken de mannen zich niets van
aan en ze vervulden onverstoorbaar hun rol. Om de beurt, maar zonder een bepaalde
volgorde, zongen ze een couplet uit oude primitieve gezangen (sátiras) over het
lijden van Christus. In dit genre, dat alleen in Loja nog bestaat, zouden de
invloeden van de Islam, de Sefardí (afstammelingen van Spaanse en Portugese
joden) en Franciscaanse missionarissen te
horen zijn.

Terwijl de mannen in het zwart nog druk bezig waren, kwam
een andere groep wierookvatdragers gekleed in paarse tunieken aangelopen die
even daarna hun kunsten tentoonspreidden. Na afloop van het optreden van de
beide corridas trok de processie in een normaal tempo weer verder, naar de
volgende ontmoetingsplek met de wierookmannen.

Na afloop wist ik niet zo goed wat ik van het fenomeen moest
denken. In mijn fantasie had ik me de impact van de wierookvatdragers grootser
voorgesteld. Het was zeker bijzonder wat de incensarios aan vaardigheden in
huis hadden, maar de devotie die ze ook zouden uitstralen was me, op hun
zwijgen na, toch een beetje ontgaan. Al met al was het daar op straat vooral een
chaotisch tafereel geweest. Maar misschien is de beleving bij een processie ‘s avonds, in het donker, wel totaal anders.

Nog wat feitjes

Meestal zijn er meerdere corridas aanwezig bij één processie. Bovendien
bepaalt de dag van heilige week in welke kleur de wierookvatdragers gekleed gaan, ofwel
in het blauw, zwart, paars of wit.

In elke processie moeten de incensarios vijf of zes
verschillende golpes volbrengen. Als ze met één patroon klaar zijn, verlaten ze de processie waarna
ze energiek en zonder te spreken door de straten lopen, meestal naar een huis
van familie of vrienden door wie ze zijn uitgenodigd voor een hapje en een
drankje. Na zo’n ‘tussendoortje’ voeren ze als dank voor hun gastvrouwen en
-heren het bewegingspatroon ‘de magdalena’ uit. Daarna marcheren ze weer
verder, of naar een ander huis dat hen ontvangt of naar het volgende punt in de
route waar ze opnieuw hun golpes verrichten.

De incensarios zijn kenmerkend gekleed. Ze dragen een lange
tuniek met daaromheen in de taille een brede sjerp die op de rug in de vorm van
een vlinder is gestrikt. Daaronder een kniebroek met afhangende kwastjes,
gebreide kousen en lakschoenen met gespen.

Op hun hoofd torsen ze een hoge punthoed van zijde of satijn
die rijkelijk versierd is met kralen die ook het voorhoofd van de drager
bedekken. Deze hoed, de morrión, weegt ongeveer twee kilo en wordt met een band
onder de kin vastgemaakt om het gevaarte op zijn plaats gehouden.

De incensarios verworven het recht om een beeld te
bewieroken aanvankelijk via een openbare veiling, georganiseerd door de
broederschappen. Ze betaalden vaak duizenden euro’s om zich als incensario te
kleden en op te treden. Tegenwoordig schijnen de procedures iets veranderd te zijn.
Sommige veilingen hebben een besloten karakter, in andere gevallen is er
helemaal geen veiling en sluiten de mannen rechtstreeks een contract met de
broederschap, maar wel onder voorwaarde dat ze lid zijn van die broederschap.

De traditie van deze corridas de incensarios stamt uit het
midden van de 18e eeuw, maar is mogelijk ouder. Er zijn maar weinig
documenten die betrouwbare feiten geven over de personages. Volgens de bronnen
verbeelden de mannen de acht Romeinse
legioensoldaten die Christus volgden tijdens zijn kruisweg tot en met de
kruisiging. Toen deze soldaten bij de kruisafname de spijkers uit de handen van
Jezus trokken, zouden ze getuige geweest zijn van een wonder. Ze bekeerden
zich, terwijl ze alsmaar buigingen maakten.