19.10 uur

Lief dagboek, ik voel me zo ongelooflijk kut. Die regelklus voor
mijn baas, crimineel wat een wijf, daar is echt geen eer aan te behalen. Wat ik
in gang zet of wie ik ook benader, het gaat allemaal mis. Om gek van te worden.
Uit wanhoop heb ik weer alles wat maar in huis te snaaien viel achter elkaar
naar binnen gepropt. Chips, worst, kaas, koekjes, die smerige bonbons die mijn
moeder laatst had meebracht, zure haringen. Oké, het was ff lekker, op die chocola
na, maar nu ben ik er kotsmisselijk van. Letterlijk en figuurlijk. Het lijkt
wel of ik zwanger ben, hoewel en helaas: daar is weinig kans op.

Weet je wat zo raar is? Omar, over wie ik je laatst
vertelde, duikt elke keer onverwachts op plekken op waar ik ook ben, maar verder
gebeurt er niks. Nada, niente. Ik snap er geen reet van. Het maakt me ongelooflijk
onzeker. Ik ben verliefd, dat is zeker. Zodra ik hem ergens heb gespot, begin
ik te trillen en te schutteren. Het lullige is alleen, dat het steeds gebeurt
bij belangrijke ontmoetingen in de Mondriaan-zaak. Waarom is hij dan ‘toevallig’
ook in mijn buurt en waarom doet hij dan telkens alsof hij me zogenaamd niet
ziet? Als hij iets wil, moet hij mijn signalen toch langzamerhand wel begrepen
hebben, zou je denken. Er klopt iets niet, of ik zie spoken of ik spoor niet. Ik
kan me niet voorstellen dat hij verlegen is. Daar is hij het type niet naar. Zal
ik een volgende keer dan maar het initiatief nemen? Hem aanspreken? Kijken welk
effect dat heeft? Dan weet ik waar ik aan toe ben.

Of zou er iets anders aan de hand zijn? Ik word er een
beetje paranoia van en zou haast die waarschuwing van laatst nog gaan geloven.
Wat fluisterde die mannenstem ook alweer? ‘Je kunt ook geschaduwd worden door
iemand die voor je loopt.’ Een griezelige voicemail was dat, die ik snel wilde
vergeten. Hallo zeg, ik laat me niet bang maken. Het slaat ook nergens op, want
zeg nou zelf: voor wie ben ik nou interessant? Ik kom net kijken. Of… zou het ook
vanwege die Mondriaans zijn? Zitten de Chinezen soms op me te azen en doet Omar
mee aan dat spel? Niet als Chinees natuurlijk maar als Arabier, en dan als eentje
in een zeer goed geslaagde uitvoering. Pfff, ik krijg het er warm van. Weet je
van zijn naam betekent? Bloei!

Balen. Dat rotgevoel gaat niet weg…

19.23 uur.

Daar ben ik weer. Ik heb net mijn vinger maar weer in mijn
keel gestopt. Ik weet dat ik dat beter niet kan doen. Wie veel eet, graaft zijn graf met zijn
eigen tanden, zeggen de Chinezen, om in dezelfde sfeer te blijven, maar
zolang niemand weet heeft van mijn vreetbuien is er niets aan de hand. En ik
loos gewoon alles wat naar binnen is gegaan op tijd, voordat het de kans krijgt
om te verteren. Ik heb er geen moeite mee. Vreten en direct kotsen, je weet, dat
is voor mij een prima middel om mijn frustraties kwijt te raken. Hoe komt het
dan dat het vandaag geen gevoel van opluchting geeft?

Ik verlang terug naar mijn studententijd toen het leven simpel
en plezierig was. Tentamens leren, scripties maken, wat stelde dat nou voor.
Het was vooral vrijheid en lol, zelfs mijn stage was een lachertje. Ging er
iets fout? Geen man over boord, ik was niet eindverantwoordelijk, oké, ook al
dacht ik soms van wel. Maar nu, mijn eerste baan, dat valt vies tegen.
Eigenlijk ben ik ook een naïef kalf. Dacht ik even snel carrière te maken als
assistent van de wethouder van Cultuur, of
nog beter: haar rechterhand. Zoiets klinkt hartstikke goed toch? Maar is het
niet, ik ben vooral de slaaf die de vervelende klussen voor haar mag opknappen.
En een beetje waardering voor me uiten? Ho maar! Daar heeft die matrone nooit
van gehoord. Is dit het waarvoor ik gestudeerd heb? De werkelijkheid, het
‘echte werk’, is waardeloos. Het kan me gestolen worden.

Vandaag was het helemaal een klote dag, vandaar mijn
vreetbui. Dacht ik net die ijsklomp Hester van de Akzo
Nobel Art Foundation te priemen, blij dat ik op het laatste nippertje mijn
joker in de strijd had gegooid en daarmee haar gevoelige snaar bleek te raken, toen
mijn mobiel begon te piepen. Die andere troela tetterde in mijn oor of ik als
de sodemieter naar het gemeentehuis wilde komen. Geen verdere uitleg, niets. Eh, hallo, dacht ik, ik ben geen hond die op commando
blaft. Ik baalde als een stekker. Dacht ik net beet te hebben, zou mijn vette vis
alsnog kunnen ontglippen. Dat heb ik weer.
Maar goed, ik gehoorzaamde braaf en het was een meevaller dat ik met die Hester
een nieuwe afspraak mocht maken over eventuele sponsoring van Akzo.

Ik had mijn voet nog niet over de drempel van Claeterings
kantoor gezet of ik kreeg me daar toch de wind van voren! Waarom had ik haar
niet verteld dat de schilderijen waren opgehaald uit de depots van de musea? En
wat had ik eraan gedaan om te voorkomen dat het grote doek zo goed als verkocht
was aan een rijke Chinees en het kleinere doek waarschijnlijk ook? Ik had haar elke dag op de hoogte moeten houden van
mijn stappen. Waarom had ik dat niet gedaan? Waar waren mijn rapporten
gebleven? Ze vuurde de ene na de andere opmerking op me af, snerend, kritische en
in mijn ogen onterecht.

Is dit een beoordelingsgesprek, stotterde ik en bedeesd
vroeg ik waarom ze me niet de kans had gegeven me daarop voor te bereiden? Ze
luisterde niet eens en denderde maar door. Wist ik wel wat de
gevolgen van wanprestaties waren voor de gemeenteraadsverkiezingen volgend
jaar? Zij zou er als wethouder op af worden gerekend. Zij zou haar positie
verliezen en de partij vele stemmen en zetels. Wat ging ik nu ging doen om het
tij te keren? Ze besloot met: denk maar niet dat je contract verlengd wordt als
je geen bevredigende oplossing kunt bedenken.

Ik was perplex en kon me niet verweren, als ik dat al wilde.
Wat een bitch. Als
je je verdiept in de belangen van je baas, kun je je eigen belangen beter
verdedigen, herinnerde ik me van een van de colleges. Maar zo’n houding kon ik op
dat moment echt niet opbrengen, daarvoor zaten mijn tranen te hoog. En ik wilde
absoluut niet voor haar ogen een potje gaan zitten janken. Die triomf gunde ik
haar niet. Razendsnel probeerde ik mijn
emoties en gedachten weer onder controle te krijgen, terwijl zij me ondertussen
dreigend bleef aankijken. Wat kon ik doen, als alles al beslist leek? Een benefietconcert
organiseren, daar ben ik goed in, zoiets als ‘toppers in concert’, dat is
waanzinnig populair, wist ik tenslotte piepend uit te brengen. En makkelijk te
kopiëren dacht ik in stilte.

Lief dagboek, je had haar kop
moeten zien, wat had ik daar graag een video van gemaakt. Haar gezichtsuitdrukking
wisselde van verbazing, afkeer, ongeloof, minachting tot blijde verrassing,
opluchting en vreugde. Briljant idee, daar had ik zelf ook al aan gedacht, zei
ze ineens beangstigend poeslief, en: mijn fiat heb je. Wat een ongelooflijke
trut. En ik kon mezelf wel door mijn kop schieten. Wat had ik me nou weer voor
stoms op de hals gehaald! En hoe kan ik in hemelsnaam die Chinees bewerken. Dat
lukt me nooit!

Even kijken of er ergens nog
iets te kanen is. Ik spreek je later.

(Mijn vierde bijdrage voor de my victory boogie woogie wedstrijd, 2014)