‘Waar is het echtheidscertificaat,’ gromde de gedrongen
gangster met de grijnzende varkenskop tegen zijn slachtoffer terwijl hij de
juten zak van diens hoofd trok. Door de spleten van het masker gluurde hij met
leedvermaak naar de wisselende emoties op het gezicht van de dandy in smoking
voor hem. Mocht deze lefgozer dan in de veilingzaal de held geweest zijn, de
flitsende showmaster die zijn publiek opzweepte of liever gezegd manipuleerde
tot het bieden van exorbitant hoge bedragen, in hun handen was hij slechts een
lullig hoopje mens.

Kijk hem daar nou hangen, die expert in de kunstveiling, hulpeloos
in elkaar gezakt als een mislukte rijstpudding, weg was zijn irritante
bravoure. Het zou mij niks verbazen als hij in zijn broek heeft gepiest, dacht
de varkenskop. Allemaal mietjes in de kunstwereld. Kunst, en dan vooral moderne
kunst, wat stelde dat nou voor? Dat konden zijn neefjes beter. Wat er bij die
deftige pinguïn in zijn veilinghuis onder de hamer kwam zei hem absoluut niets,
alleen dat het big, big business was. Daarom was hij in de kunstscene gestapt. Geld,
seks, macht, daar draaide toch alles om in het leven en, laat het een cliché
zijn, daar werd je pas een succesvol man door.

Jack verstijfde onder de fixerende blik van die half
verstopte ogen, spleetogen leken het wel, die hem wilden doorgronden tot op de
bodem van zijn ziel. Hij spande zijn oogspieren om scherper te kunnen zien,
maar het lukte niet. Het leek wel of zijn bovenste oogleden van lood waren.
Hadden ze hem dan verdoofd? Opeens herinnerde hij zich weer hoe een man hem van
achteren had overmeesterd en zijn nek in een wurggreep had genomen. Hij had een
prik in zijn arm gevoeld en was weggezakt in een diepe duisternis.

Die verdoving was blijkbaar uitgewerkt. Na de donkerte
moesten zijn ogen wennen aan het felle licht. Waar hadden ze hem naartoe
gebracht? Langzaamaan loste de mist op en had hij een haarscherp beeld, zoals
bij het scherpstellen van de lens van zijn camera. Nu niet meer naar die
varkenskop kijken, zei hij in zichzelf. Hij tilde zijn hoofd een beetje op en
zag tot zijn schrik dat er nog meer mannen met een varkensmasker in de zaal
liepen, gewapend met imposante geweren. Hun schelle gelach ging hem door merg
en been. Hoe kon het dat hij ze niet eerder had opgemerkt? Rechts bij een raam
stond een vrouw met de rug naar hem toe. Ze keek naar buiten. Iets in haar
houding kwam hem vaag bekend voor.

Hij probeerde rechtop te gaan zitten, maar schoot snel weer
terug. Een stekende pijn ging door hem heen. Zijn rug was voorovergebogen en
zijn handen zaten met tape vastgeplakt aan een ijzeren stang. Een stuur? Was
het een zadel waar hij op zat? Hij keek naar zijn benen die onwillekeurig
fietsbewegingen maakten, zag toen het fietsframe en de letters ‘made in China’.
Fuck, nee, dat kon niet waar zijn. Had de Chinese kunstmaffia hem te pakken?

Toen pas ontdekte hij het grote tapijt dat recht voor hem op
de grond was uitgespreid. Hoewel, het was geen vloerkleed. Wat daar lag, dat
kende hij toch? Hij zou het herkennen uit duizenden. Bijna een
jaar geleden had hij het beroemde schilderij van Mark Rothko afgehamerd op 86,9
miljoen dollar. Oranje, rood, geel. De kleuren symboliseerden zijn grootste persoonlijke
triomf tot nu toe en de vlakverdeling, de kleurnuances, de textuur van het
schilderij stonden als in zijn geheugen gebrandmerkt. En nu lag
datzelfde doek daar recht voor hem, plat op de grond, respectloos. Hoe was dat
mogelijk? Hoe kwamen ze daaraan? Intuïtief wist hij dat dit het origineel was,
geen twijfel mogelijk. Hij rilde.

Naast het schilderij stond een tafel met schildersattributen:
spuitbussen met felle kleuren inkt, mesjes, tubes verf, grote kwasten,
terpentine, maar ook schuurpapier, een radeermesje en een gasbrander. Wat moest
dat nou weer voorstellen? Daar hoorde hij de stem van die ene man weer. ‘Christie’s
heeft toch een grote groep experts die precies weten bij wie de mooiste spullen
te halen zijn?’ sprak de varkenskop. ‘En in
het veilinghuis dat jullie in Shanghai hebben geopend mogen jullie
onafhankelijk van lokale partijen kunst
veilen op het Chinese vasteland. Dat klopt toch? Dat is voor ons zeer, zeer aantrekkelijk
en jij gaat ons daarbij helpen, goedschiks of kwaadschiks. It’s up to you.

Je wielen draaien nu door een lopende band, maar die zetten
we dadelijk stil. Dan mag je zelf fietsen of je leven ervan afhangt. Als je
stopt met trappen zullen de verfblikken die aan die stang boven het schilderij
hangen door spiesen doorboord worden, openbarsten en de verf zal als een stortbui
op het schilderij vallen. En zie je die tafel daar? Prachtige werktuigen om een
schilderij voorgoed mee te verminken. Dat wil jij toch niet op je geweten
hebben? Dus kom maar op: waar is het echtheidscertificaat?’

De veilingmeester voelde hoe zijn benen vertraagden, het
tempo nam af, nog even en de band zou stilstaan. Over de gevolgen wilde hij
niet nadenken. Er mocht niets gebeuren, hij zou vechten. Als een bezetene begon
hij op de pedalen te trappen ondertussen zijn gedachten ordenend. Hoe moest hij
zich uit deze hachelijke situatie
redden? Plotseling zag hij vanuit zijn ooghoeken dat de vrouw zich had omgedraaid.
Ze kwam langzaam en heupwiegend naar hem toe, met de lompe varkenskoppen in
haar kielzog. De mannen stelden zich zwijgend ieder aan één kant van Rothko’s
doek op met hun geweer in de aanslag. Maar zag hij het goed, waren dat
paintball geweren? De vrouw ging recht voor hem staan. Toen hij haar gezicht van
dichtbij zag, wist hij het weer. Was er dan niemand in de wereld te vertrouwen?

Hij hield zijn lippen stijf op elkaar. Hij zou zwijgen als
het graf. Maar hoe lang zou hij dat kunnen volhouden? Hij was hier niet de
regisseur. Wat waren ze van plan? ‘Je zegt niets? Dat zal je bezuren,’ sprak de
vrouw. Op haar teken vuurde een van de gangsters het eerste schot af en een
klodder lichtblauwe verf plofte midden op het schilderij. Een tweede schutter kwakte
er een witte vlek naast. Het was alsof een vlijmscherp mes door zijn vlees
sneed. De pijn was onverdraaglijk. Dat is niets, courage, dat is niet erg, dat
is wel te restaureren, als ze maar niet met die mesjes gaan klooien, fietsen,
fietsen, gewoon doorfietsen, herhaalde hij in zichzelf. Redden wat er te redden
valt. Het zweet gutste onder zijn oksels vandaan. Zijn gezicht jeukte.

‘We kunnen je nog wat opium geven,’ sprak de vrouw opeens met
zwoele stem. ‘Daar krijg je weer dat lome, behaaglijke gevoel van in je lijf,
zoals laatst. Je werd er zo heerlijk onverschillig van zei je. Dan geef je je
geheim wel prijs.’ Ze haalde een spuit tevoorschijn, streelde de binnenkant van
zijn onderarm, waar zijn aders als een gek begonnen te kloppen, en bond een
rubber band om zijn arm. Paniek overmeesterde hem. Nee, nee…..ja, ja, ja…,’
gilde hij. ‘Stop deze kwelling, ik zal spreken.’

Kletsnat werd hij wakker van zijn eigen kreten. Hij schoot
rechtop en keek verwilderd om zich heen. Hij was in zijn eigen slaapkamer. Nog
net op tijd had hij gezien hoe een van de mannen een flinterdun plastic dek van
het schilderij haalden. De varkens krijsten. Gelukkig, het schilderij was
gered, maar was hij nou doorgeschoten of niet? Fuck, Fuck, Fuck… schoot het
ineens door hem heen. Die rare chinees die hem laatst had bezocht…. Snel sprong
hij uit zijn bed, belde zijn chef en zei: ‘Steven, ik moet je dringend spreken.
Het gaat over onze eerste veiling in het najaar in Shanghai.’

(Mijn tweede bijdrage voor de my victory boogie woogie wedstrijd, 2014)