De eetsalon van de RMS Samaria is zo goed als verlaten. Het
captains diner zit er op. Dit is zijn moment. Li Huang duwt een pluk
weerbarstig haar op zijn plek, laat zijn handen strelend over de toetsen van de
imposante vleugel gaan en begint ingetogen vanuit het diepste van zijn ziel aan
een laatste riedel.

Het swingt, oh wat swingt het. Zijn vingers springen als dartele
hazen van links naar rechts over het toetsenbord, achter elkaar aan, over
elkaar heen buitelend, nauwelijks met het oog te volgen. Weg is de vermoeidheid
die tijdens de avond steeds dieper in zijn lijf was gekropen. Op zijn gelige
wangen verschijnt een blos. Dit is wat anders dan de brave ballroommuziek die
hij de afgelopen uren op verzoek van de kapitein en zijn gasten heeft gespeeld tijdens
het diner dansant.

Mooi geluid heeft die Steinway, de touche is precies zoals
hij het graag heeft, soepel, niet te zwaar. Hij sluit zijn ogen. Harmonisch bewegen
zijn hoofd en bovenlijf op het ritme van de klanken die zijn handen spelen. Benen
en voeten gaan hun eigen weg. Pling, plang, pleedie weedee wong. Zijn smalle
lippen zingen een lied zonder betekenis. Het lijkt op de Amerikaanse scat met doohdah,
dooba doowee doob, maar Huang verzint die vocale onzinwoorden liever zelf, in
zijn taal, het Mandarijns.

Nog
een dag varen en dan zal het stoomschip aanmeren in New York, de
eindbestemming. Zal deze metropool zijn lotsbestemming worden? De zeereis is vlekkeloos
verlopen, geen stormen, hooguit wat hoge golfslag, en verder vooral de
rustgevende rimpeling van het water. Gelukkig ook
geen spoor van de oorlog die de Duitsers in Europa hebben ontketend. Amerika zal
veilig zijn.

Aanvankelijk wilde hij met de Holland Amerika Lijn de grote
reis naar zijn nieuwe wereld wagen. Later had hij toch gekozen voor een Britse
rederij, de Cunard Line, die vanuit de havenplaats Liverpool op Amerika vaart.
Zijn voorgevoel had hem niet bedrogen. Het schip van zijn eerste keuze, de
Statendam, raakte plotseling betrokken bij de Duitse invasie van Nederland. In plaats van een vrolijke overtocht naar
Amerika hielp dat schip mee aan het bombardement van de stad Rotterdam.

Wat zal Amerika hem brengen? Hij weet het niet. Met weemoed
denkt hij aan wat hij heeft achtergelaten. Zijn mooie tengere vrouw, die hem
had gesterkt in het idee dat het goed was dat hij naar het westen vertrok. Hij
zou immers zijn talenten gaan benutten, hard werken en geld verdienen zodat hij
zijn gezin en hun zoontje een toekomst kon geven. En hij zou weer terugkeren naar
China. Zij zou op hem wachten, dat hield ze wel vol, had ze met zachte stem
beweerd. Haar ogen en lichaam vertelden iets anders, maar ze zou zich, net als
hij, aanpassen aan de onvermijdelijke veranderingen in hun leven. Ze zouden
elkaar wanhopig missen, maar meegaan met de stroom. Leven is bewegen.

En dan Shanghai, zijn geboorteplaats. ‘Booming Shanghai’ nu. Een
stad met een bloeiend nachtleven, varieté en cabarets. In die omgeving was zijn
muziekcarrière begonnen. Later, als pianist in het Peace Hotel, Shanghai’s eerste
wolkenkrabber met maar liefst tien verdiepingen, had hij die nieuwe muziekvorm
ontdekt, de jazz. Zijn passie nu. Hij had meegespeeld in Amerikaanse,
Russische, Finse en Oosterse orkesten en bands. Ze speelden allerlei genres,
van dansmuziek, Chinese liedjes, tot traditionele Oriëntaalse muziek en vooral
de Amerikaanse jazz. Het was niet alleen een mengelmoes van talen geweest, maar
ook een muzikale smeltkroes. Vol energie, vol leven. De extravagante feesten in
de balzaal, maar ook de happenings in de Jazz Bar van het befaamde Peace Hotel,
waren gebeurtenissen die niemand in Shanghai durfde of wilde missen. Hij was er
altijd bij geweest. Hoe had hij deze scene zo maar kunnen verlaten?

Met een vloeiend gebaar brengt Li Huang zijn armen omhoog en
laat zijn handen een paar tellen zweven boven de toetsen ten teken dat het
einde is bereikt. Dan dringt het geluid van applaus tot hem door. Zoekend kijkt
hij rond. Aan het eind van de eetzaal ziet hij een oudere heer die aan een nog
niet afgeruimde eettafel zit en enthousiast klapt. De man zwaait naar hem,
staat dan op en loopt zigzaggend tussen de tafels zijn kant op. In zijn ene
hand heeft hij een halfvol glas met sterke drank lijkt het wel, de andere
ondersteunt een pijp waaraan hij driftig zuigt. ‘Kerel, wat klonk dat
geweldig,’ zegt hij. ‘Je bent een waar talent. Was het bestaande muziek? Of improvisatie?
Had deze muziek vanavond maar vaker gespeeld. Ik ben jazzliefhebber. Spreek je
Engels?’

De bejaarde man drukt zich tegen de vleugel, zet een elleboog
op de kast, neemt een slok en kijkt de pianist over zijn brillenglazen innemend
maar onderzoekend aan. Li Huang is verrast. Tijdens het diner had hij een
stukje jazz gespeeld, maar de kapitein had direct met een handgebaar te kennen
gegeven dat hij daar onmiddellijk mee moest stoppen. Zijn gasten zouden het
niet waarderen. Deze man was anders. Li Huang krijgt het warm. Een soulmate? ‘Ik
dank u voor uw compliment’, antwoordt hij verlegen met neergeslagen
ogen. ‘Wat
u zojuist hoorde was mijn interpretatie van geschreven muziek, noem het maar de
Shanghai Blues, een combinatie van Chinese muziek, jazz en blues. Structuur tegenover spontaniteit.’

Li Huang rommelt zenuwachtig door de muziekboeken op de pianostandaard,
vist er snel een vel papier tussenuit en geeft het aan de man die al die tijd geïnteresseerd
naar hem heeft geluisterd. ‘Dit is de bladmuziek met de grondmelodie, de
basis,’ zegt Huang. ‘Hiermee speel ik mijn eigen versie, telkens opnieuw,
iedere keer anders, afhankelijk van mijn gevoel, in oneindige variaties. Wij
Chinezen hechten veel waarde aan veranderingen van de melodie en de ritmes. Het
effect van samenklank, zoals de akkoorden in de westerse muziek, vinden we
minder interessant. In de Chinese muziek kan een enkele noot al een
gevoel van harmonie geven en die ene klank leidt weer tot de volgende. Het ultieme is het onverwachte en het altijd in beweging
zijn. Ik wil een
improvisatie laten klinken alsof het geschreven muziek is en geschreven muziek
als een improvisatie.’ Li Huang stopt. Zo lang is hij nog nooit aan het woord
geweest. Hij kijkt de zwijgende man afwachtend aan. Zou hij zijn verhaal
begrepen hebben? Waarom zegt hij niets?

De
man staat ineens kaarsrecht en staart als gebiologeerd naar het vel papier dat
voor hem ligt. Wat hij daarop ziet is een boeiend patroon van horizontale en
verticale lijnen, waarin haast willekeurig blokjes en strepen zijn geplaatst in
verschillende kleuren en van verschillend formaat. Het lijkt in niets op de westerse
bladmuziek. ‘Deze muzieknotatie is totaal nieuw voor mij,’ stamelt hij. ‘Wat
een fascinerend lijnenspel, het lijkt wel visuele kunst.’

Li
Huang laat zich meeslepen door de oprechte verbazing en belangstelling van de
voor hem nog onbekende man, die net als hij niet vloeiend Engels spreekt. Het
rare is dat het lijkt alsof hij hem al jaren kent. Hij wil hem alles wel
vertellen wat hij weet. ‘Het is het pentatonische toonsysteem,’ vervolgt Huang.
‘In de Chinese muziek, maar ook voor de jazz en blues, gebruiken we het liefst
de pentatonische toonladder. Een toonreeks van vijf tonen die we noteren met de
kleuren rood, geel, blauw, zwart en wit. Met dit simpele kleurenpalet maken we steeds
weer opnieuw een spannende compositie.’

Onopgemerkt door de beide mannen loopt de purser van de
Samaria hun richting op. Als hij de vleugel is
genaderd, onderbreekt hij abrupt hun boeiende conversatie. ‘Neemt u mij niet
kwalijk mijnheer, maar ik moet u helaas vragen de eetzaal te verlaten,’ zegt
hij vriendelijk maar nadrukkelijk tegen de passagier. ‘We gaan sluiten.’ Dan
richt hij zich tot de pianist en zegt: ‘Huang, de kapitein wil je graag nog
even spreken.’

Hevig teleurgesteld schikt de
man zich naar het verzoek van de boordofficier. Hij had graag nog zoveel meer
willen horen over die kleurrijke muzieknotatie. Hij draait zich snel om naar de
pianist en vraagt gejaagd: ‘Huang, mag ik Huang zeggen? Wil je me verder
inwijden? Morgenavond weer? Op dezelfde tijd?’

(Mijn eerste bijdrage voor de my victory boogie woogie wedstrijd, 2014)